Boekpromotie: 20.000 mijlen onder zee

Door Michelle ten Brinck

Hoofdpersonen:

Professor Annorax, zijn knecht Koenraad en de harpoenier Ned Land. Koenraad blijft in alle omstandigheden rustig en bedaard, Ned Land is eigenwijs en heeft een nors uitziend gezicht. De professor is geïnteresseerd in alles wat met wetenschap te maken heeft. En is ook onder de indruk van wat hij meemaakt.

Het boek:

Het boek speelt zich af in de tijd 1866, wanneer een “monster” in de zee gezien wordt. Mensen uit die tijd gaan er naar opzoek om het te vangen en te onderzoeken (dat proberen ze). Als de Abraham Lincoln al ong. 2 maand op zee is. Zien ze het spilvormige monster dat wel waterstralen van 50 meter hoog de lucht in kan spuiten. De matrozen roepen de harpoenier in die er is om het beest te vangen. Als de harpoenier gooit en de harpoen raakt het “monster” horen ze een doffe dreun en ketst de harpoen gewoon weer terug. Dan spuit het “monster” weer 50 meter hoge waterstralen dit keer op de Abraham Lincoln gericht. De professor, zijn knecht Koenraad en Ned Land vallen overboord in de zee. Die nacht werd lang voor hun, want ze moesten elkaar ondersteunen en de wacht houden. Als de volgende ochtend het monster er weer is en het naar hun toe komt en het boven water komt, dan zien ze dat het ding van staalplaten is gemaakt. De professor, Koenraad en Ned Land komen dan op een platform terecht.

De volgende dag komt er een man binnen: de kapitein. Hij kan Engels, Frans en Duits. Hij legt uit dat ze gevangen zijn op zijn schip (een onderzeeër) de Nautilus. De kapitein vraagt de prof. om mee te gaan met hem. Ze komen in een bibliotheek met wel honderden boeken en in een salonkamer met prachtige schelpen en koralen. De volgende dagen zijn snel voor bij de prof. ziet dat de kapitein, waarvan de naam Nemo is, niet met de bewoonde wereld in contact wil komen. En dat hij eten, medicijnen, maar dan ook alles uit de zee haalt.

Als op een dag de prof. vraagt hoe het schip wel honderden meters onder zee kan komen en wel 50 km per uur kan varen, luidt het antwoord: “Het hele schip werkt op elektriciteit. Maar hoe kan dat op de universiteit kan elektriciteit maar een paar minuten een lamp laten branden”. De kapitein zegt dat hij de stroom en energie uit het natrium in de zee haalt. En uit de energie van het natrium, elektriciteit kan opwekken. De kapitein blijkt heel rijk en heel slim te zijn. Ze gaan jagen op eilanden, zien wilden en maken van alles mee. Aan het einde wordt een lid van het schip ziek. prof. kan hem niet redden. Hij wordt onder water begraven.

Hier zie je een plaatje van het kerkhof waar het zeelid begraven wordt.
Illustratie: Het kerkhof

Beschouwing:

Aangezien de schrijver ong. 200 jaar geleden leefde was hij heel slim voor die tijd. Zoals hij dingen opschrijft is knap, vooral voor die tijd. De mensen toen dachten dat elektriciteit nooit wat zou worden. Jules Verne schrijft dan een heel schip, ook nog een onderzeeër, dat in die tijd nog niet bestond, helemaal op elektriciteit draait.

De schrijfstijl is klassiek en met woorden die niet meer gebruikt worden, bijv ofschoon. En het verhaal is netjes geschreven. Soms begrijp je sommige woorden niet, maar door die woorden kom je wel helemaal in de stijl van het boek en dat is mooi. De zinnen zelf zijn niet echt lang, maar ook niet echt kort.

Er zouden meer mensen moeten zijn die het gelezen hebben, want het is ontzettend knap dat een man van ong. 200 jaar geleden zoiets schrijft, voor die tijd is het allemaal sciencefiction.
En het boek is gewoon mooi en er staan veel avonturen in.

Michelle ten Brinck, oktober 2005

Zie: Boekpromoties voor de masterclass.